Piano Blues

[16 juli 2004]

Martin Scorsese presents...
The Blues: Piano Blues

Vandaag gaat alles goed. Het beeldformaat is correct, het bezoekersaantal is ongeveer verdubbeld, de film zelf is minder fragmentarisch van opzet dan deel 1, en de beloofde consumptiebon (die veertien dagen geleden ontbrak) is nu aanwezig. Daarbij hebben de bezoekers van déze voorstelling nog een mazzeltje: ze krijgen een gratis langspeelplaat van bluespianist Eddie Boyd & Ulli's Bluesband. Beschikbaar gesteld door Diwa Records & Books.

Eigenlijk zou ik hiermee de recensie kunnen afsluiten, maar misschien wilt u toch nog iets meer over de inhoud van de film weten?
Mijn kritiek op de eerste film (Red, White & Blues), dat de kijker gebombardeerd wordt met feiten en opvattingen, is hier deels ook nog aanwezig. Soms begrijp ik niet goed waarom men dergelijke muziekfilms maakt. Gepretendeerd wordt althans dat het muziekfilms zijn. Kennelijk begrijpen de makers niet wat de essentie van muziek, van muziek luisteren en van muziek ondergaan, is. Muziekliefhebbers zullen het met mij eens zijn dat de essentie van het muziekgenot volstrekt afwezig is in dit soort films.
Het zijn in wezen klinische documentaires, en voor wie of wat ze zijn gemaakt, blijft de vraag.

Het systeem van de gefragmenteerde documentaire is nu wel stukken minder storend dan in de vorige film. Er is nu heel wat meer muziek te zien en te horen, en die wordt niet al na een kwart seconde weer onderbroken door oeverloos gezwam.
Gekletst wordt er nog steeds veel, vooral in het begin. Verder lijkt het erop dat de gastheer van deze film, regisseur en pianist Clint Eastwood zelf zoveel mogelijk op de voorgrond wil staan. Weliswaar zichzelf presenterend als bescheiden vragensteller, maar toch steeds nadrukkelijk aanwezig.
Ook verbazen mij de aankondigingen van deze film: “Piano Blues met Pinetop Perkins en Marcia Ball”. Perkins speelt nog geen 30 seconden, en ook de rol van Marcia Ball is niet bijzonder groot.

Het is - de inmiddels overleden - Ray Charles waar een groot deel van de film mee gevuld is. Veel pratend en geinend, en een weinig (blues) spelend. Daarnaast zijn er zó veel pianisten - zowel levende als dode - te zien, dat ik ze bij lange na niet allemaal zou kunnen noemen.
En ondanks de grote hoeveelheid, ontbreken er - onvermijdelijk - ook nog heel veel.

Een beetje uit de toon vallend zijn de woorden van de eigenzinnige Dr. John, oftewel Mac Rebenneck. Hij zegt dat hijzelf eigenlijk gitaar wilde spelen, omdat er zoveel “vage” (vertaling van “bad”) pianisten waren in de tijd dat hij begon.
Hij noemt dan als voorbeelden Huey Piano Smith, Professor Longhair en Fats Domino. Vreemde uitspraak eigenlijk, omdat hij met ze heeft gewerkt en het zijn inspiratiebronnen zijn.
Gelukkig laat men in de film meteen de complete versie horen van Fats Domino's eerste hit: The Fat Man. En die is allesbehalve vaag. Samen met de instrumental Swanee River Hop van Fats, zijn dat voor mij de hoogtepunten in de film. Helaas wordt dat laatste nummer weer halverwege afgebroken voor een uit de toon vallende versie van Professor Longhair.

Dr. John laat naderhand nog duidelijk zien, dat hij niet (meer) in de schaduw kan staan van de échte piano-grootheden.