Double Dee (1)

Het begin

De melkboer en de Beatles kunnen zich verzekerd weten van mijn voortdurende dankbaarheid. Zij hebben mij namelijk tot een onwrikbare Rock & Roll-liefhebber gemaakt.
De melkboer bestaat niet meer - hij heet nu melkman en komt nog maar zelden aan de deur - en de Beatles bestaan ook niet meer. Ik besta nog steeds, en mijn muzikale voorliefde is ook nog behoorlijk intact. Dus is er alle reden tot dankbaarheid.
Maar laat ik bij het begin beginnen, bij het allereerste begin. Dat zal zo rond 1960 geweest zijn.

We waren in elk geval al verhuisd van de Haarstraat naar de Parkstraat, een straat die aanzienlijke verbetering van woonomgeving met zich meebracht.
Rijssen, het stadje in Twente waar ik in 1946 geboren werd, stond (en staat nog steeds) bekend om haar religieuze karakter, haar grote aantal geloven en haar vele kerken.
De aanschaf van een televisietoestel werd niet overwogen door mijn ouders in al de tijd dat ik nog thuis woonde (tot aan 1968), maar een radiotoestel was er gelukkig wel altijd geweest. Daar komt nog bij dat mijn oudere broer Marinus wat met oude radio-apparaten knutselde, en er van hield om naar populaire muziek te luisteren. Dat geknutsel aan oude radio's bleek later niet zo veel voor te stellen, maar ik weet wel dat ik het boeiend genoeg vond om het zelf ook als hobby te gaan doen. En ook het luisteren naar populaire muziek leerde ik van mijn broer.
Populaire muziek en tophits waren er al lang. De tophits waren toen nog echte hits die overal schallend gezongen op straat te horen waren. Als kind zong ik ze allemaal mee: "Que sera sera" van Doris Day, "Buone Sera" van Louis Prima, "Happy days are here again" en vooral "Hot diggity".
Ook Nederlandse hits als "Ik sta op wacht" van Joop de Knegt, waarbij we een eigengemaakt tussenvoegsel: "Zonder hemd, zonder broek" zongen, wat ons dan een sensationeel 'stout' gevoel gaf.
Skiffle-muziek was muziek die nog wel eens op de Nederlandse radio te horen was. Vooral een nummer als "My old man's a dustman" van Lonnie Donegan was regelmatig te beluisteren. Lang dacht ik dat Lonnie zong: "My old man's a DUTCHman", maar dat bleek dus fout gedacht te zijn. Wel hoorde ik eenmaal een Engelstalig skiffle-liedje waarvan de laatste regels in onvervalst Nederlands werden gezongen.
Maar tot op heden hoorde ik die plaat geen tweede keer!

Melkbrigade

De melkboer was mede verantwoordelijk voor het gegeven dat mijn geschiedenis verliep zoals die verliep. Weliswaar bracht hij niet mijn liefde voor de muziek, maar hij zorgde er wel indirect voor dat er een pick-up in huis kwam.
Denk niet dat een dergelijke gebeurtenis op een gemakkelijke wijze tot stand kwam. Niets van wat ik prettig of aangenaam vond, kwam bij ons thuis op een probleemloze of gemakkelijke manier tot stand! Maar goed, de melkman, die toen nog dagelijks aan de deur kwam en nog melkboer heette, bracht op een gegeven moment een gratis reclameplaatje mee. Het was een flexibel ding dat maar aan één kant afspeelbaar was, en dat in melkwit plastic uitgevoerd was.

Flexidisc Mars van de M-Brigade

Er stond op: "MARS van de M-BRIGADE". Een stukje marsmuziek.
Maar wát er op stond, interesseerde mij minder dan het feit dat ik niet kon hóren wat er op stond: er was geen pick-up in huis! En zoals ik al zei kwam die er ook niet zo gemakkelijk. Maar met het melkplaatje had ik toch een troef in handen ("Wat heb je aan een plaatje als je het niet draaien kunt!") en na veel zeuren en bedelen mocht er dan een eenvoudig draaitafeltje worden aangeschaft. Daarvoor moest ik naar de enige platenzaak die Rijssen rijk was: "Fa. Ilbrink".
Het pick-upje was een bouwpakket met de naam "BSR Top Tuner". Mijn broer moest de onderdelen (motor met plateau en de arm) nog op een plaat hardboard monteren en er een kastje omheen bouwen. Maar dat kon je wel aan hem toevertrouwen.

Toen stond dan mijn trotse bezit, naast mijn ouders' radio waar hij op aangesloten was, stilletjes voor zich uit te pronken. Nou ja te pronken, zo'n mooi en luxueus apparaat was het nou ook weer niet!
Overigens, na vele jaren ervan gescheiden te zijn geweest, zag ik in 1983 mijn eerste liefde weer een keer terug. Helaas was het maar een foto op de hoes van een plaat met 'neo-rockabilly'-muziek op het Engelse label "Nervous".
Op die hoes stond een soortgenoot van mijn eerste pick-upje, ingekofferd nog wel en met ingebouwde versterker en al. Het leek of het ding mij veelbetekende blikken stond toe te werpen.
Stilletjes stond hij dus naast de radio. Dat kwam omdat er naast het witte melkplaatje geen andere, 'echte' schijfjes aanwezig waren. Daar moest verandering in komen, vond ik. Ik begaf mij weer naar 't Rijssense platenwinkeltje en kocht er twee harde 45-toeren platen. Als ik me niet vergis dan waren dat: "Ga Peter ga / Laat me los" van Peter en zijn Rockets en "Waltzing Mathilda / Milord" van The Dutch Swing College Band.
Toen ik thuis kwam en vol enthousiasme de Dutch Swing College Band plaat draaide, zei mijn oudere zuster Annie tegen mijn moeder: "Dat is toch ordinaire jazzmuziek!" En de Peter en zijn Rockets single deugde al helemaal niet.
De platen moesten subiet weer terug! Dat soort muziek kwam niet in ons huis! Ik moest maar christelijke liedjes kopen! Hevig teleurgesteld was ik over zo veel onbegrip voor "mijn muziek". En of ik nu daadwerkelijk die singles weer heb geruild kan ik me niet meer herinneren, maar wat ik wél weet is dat tegenwerking en onbegrip op mij een averechtse uitwerking hadden. Dit was het begin van een intense hobby en verzameling:
Rock & Roll-muziek!

Strijd

De strijd tussen mijn ouders en mij over mijn favoriete muziek was geen gemakkelijke. Toch stelde ik mijn ouders niet helemaal teleur. Ik kocht zo af en toe ook wel eens wat "geestelijke" muziek: Mahalia Jackson en plaatjes van de Nederlandse zusjes Verweij die christelijke teksten met teenagermuziek vermengden. Marsmuziek kon ook nooit kwaad, en zelf stond ik toen niet afwijzend tegenover accordeonmuziek van het Duo Schriebl & Hupperts.
Wat Rock & Roll betreft kocht ik als één van mijn eerste singles "Buzz buzz a-diddle it / Opportunity" van Freddie Cannon op het "Top Rank" label. Ik kan me nog het gezicht van de eigenaresse van het platenwinkeltje voor de geest halen toen ze mij deze plaat voorspeelde. Het was al een iets oudere dame, en volgens mij was deze muziek niet helemaal haar smaak. Toch was haar platenvoorraad behoorlijk bij de tijd, zeker voor zo'n conservatieve plaats als Rijssen.

Platen draaien kon ik doen als mijn ouders niet thuis waren, maar het tijdstip waarop mijn favoriete radioprogramma's werden uitgezonden had ik niet zelf in de hand. Dat gaf nogal wat problemen, vooral toen er nog maar één radio in huis was, en die stond natuurlijk in de huiskamer. Het beste radioprogramma, "Tussen 10 en 20" van een Belgische zender, was juist op een tijdstip dat mijn vader zijn middagdutje in de huiskamer deed. Dat hield in dat ik alleen kon luisteren als ik mijn oor tegen de luidspreker van de radio hield!
Op zondag naar die "duivelse muziek" luisteren was er ook niet bij. Zelfs niet toen ik, dankzij mijn geknutsel met oude radio's, zelf een goed werkend toestel op mijn slaapkamer had. Als mijn moeder hoorde dat ik op zondag naar rock & roll-muziek luisterde dan kwam ze mij dat op hysterische toon verbieden. Ze zei dan dat ik maar liever een keer vaker naar de kerk moest gaan. Maar naar de kerk gaan vond ik geen zinvolle bezigheid. Ik probeerde dan ook op alle mogelijke manieren onder die dwang uit te komen. Op een gegeven moment had ik met mijn ouders afgesproken dat ik dan tenminste één keer in de twee weken naar de kerk zou gaan. Steeds als mijn moeder dacht dat het tijd was voor mij om naar de kerk te gaan, zei ik dat ik de vorige week al geweest was!
In de strijd om mijn hobby's ontwikkelde ik al gauw een goede strategie: nooit iets vragen, nooit iets meedelen, gewoon doen wat ik wilde doen! Vooral bij mijn vader werkte dat goed: waar hij niet direct mee geconfronteerd werd, daar bemoeide hij zich meestal ook niet mee. Dat ging niet altijd op, en in mijn enthousiasme maakte ik ook wel eens fouten.
Dat deed ook mijn zuster Annie. De Dutch Swing College Band vond ze "ordinaire jazz-muziek", zelf hield ze van orgelmuziek. Ze kocht daarom voor zichzelf een harmonium, toch een zeer "christelijk" muziekinstrument. Maar ze had vergeten aan mijn vader te vragen of het wel mocht. Vandaar dat hij het instrument niet in huis wilde hebben toen men het kwam afleveren! Later, toen mijn zuster getrouwd was en kinderen kreeg, kocht ze zich een elektronisch orgel en bracht ze haar kinderen naar orgelles.
Helemaal achter mijn hobby's (muziek en knutselen met elektronica) hebben mijn ouders nooit gestaan, maar hun verzet ertegen gaven ze na verloop van tijd wel op.
Mijn broer durfde het zelfs te wagen om mij met Sinterklaas een single te geven van Johnny and the Hurricanes ("Rocking goose / Revival" op London), hetgeen een uitstekende surprise voor mij was.
Grappig vond ik het ook dat mijn moeder een keer Eddie Cochran zo'n christelijke zanger vond. Ze kende Eddie Cochran niet en ze verstond ook geen Engels, maar ze hoorde wel dat Eddie het woord "hallelujah" zong in "Hallelujah I love her so". En ze vond dat iemand die zoiets zong wel een goed mens moest zijn.

Schoolkrant

Tussen 1958 en 1963 zat ik op de vierjarige U.L.O.-school, waar ik dus vijf jaar over deed, maar beslist niet omdat ik het er zo prettig vond. De resultaten waren dan ook niet om van de daken af te schreeuwen of om over naar huis te schrijven (hetgeen ik ook nooit overwoog). Ik vond de school een ramp, er waren maar weinig vakken die aansloten bij al mijn hobby's. De rock & roll-muziek was nog niet zo'n bewuste hobby voor mij, die muziek was in de mode op dat moment in Nederland en ik deed er aan mee. Nee, ik had nog veel oudere hobby's. Bijna vanaf het moment dat ik een pen of potlood kon vasthouden schreef ik al gedichtjes, verhaaltjes en toneelstukjes. Die toneelstukjes voerde ik, samen met de kinderen uit de buurt, zelf op. En ook de "bühne" had ik eigenhandig in elkaar getimmerd. Naast de toneeluitvoeringen organiseerde ik als kind nog de meest uiteenlopende dingen. Van puzzletochten tot aan rommelmarkten.
Begin 1962 vond ik dat er op school maar eens wat leven in de brouwerij moest komen. Ik begon een schoolkrant. Door middel van die schoolkrant kon ik een aantal van mijn hobby's ook op school uitoefenen. Naast het organiseren van die schoolkrant en het proberen hem aan de man te brengen, kon ik er ook stukjes in schrijven over de radio (bijvoorbeeld over de "FM-band", die toen net in opkomst was), over radioprogramma's en over muziek. Onder de kop "Iets over radio-programma's" schreef ik in het tweede nummer (maart 1962) over de programma's van Radio Luxemburg. Radio Luxemburg was toen de belangrijkste bron voor het beluisteren en het krijgen van informatie over de teenagermuziek. Radio Luxemburg zond uit in drie talen: Nederlands, Engels en Duits. De Engelstalige programma's waren het meest interessant. In mijn stukje behandelde ik de volgende programma's: "The six o'clock record show", "Honey hitparade" met als discjockeys Kent Walton en Peter Mogel, 's avonds laat het programma "The Top Twenty", en tenslotte "Hits and Misses" waarin veel rock, hits en swing te horen was.
Eén van de leukste rubrieken die ik in "MULOK" (zoals de schoolkrant heette) volschreef, was: "Teenager favorieten". Daarin besteedde ik o.m. aandacht aan Fats Domino, Peter en zijn Rockets en Elvis. In het oktobernummer van 1962 vervolgde ik mijn rubriek over radioprogramma's. Ik gaf daarin commentaar op twee Nederlandstalige programma's. Het is wel aardig om die stukjes hier te herhalen:

"TIJD VOOR TEENAGERS!

In het zomerseizoen van tien voor half twee tot tien over twee 's zaterdags. In het winterseizoen van vijf uur tot tien voor zes, vrijdags. Op deze tijden is het welbekende teenagerprogramma "Tijd voor teenagers" te beluisteren. Een programma met nogal eens domme kritiek op bepaalde zangers en zangeressen. Goed, laten zij (Dick Duster, Co de Kloet en Herman Stok) iets niet mooi vinden, dat kan ons niet schelen, maar laten ze hun mond er dan wel over houden. Dat heeft totaal geen zin, die domme kritiek. Dan is er in dat programma ook een rubriek, "Ouwe Rockers" genaamd. In het begin draaiden ze ook werkelijk drie oude rock-platen, maar al gauw werden de zoetste plaatjes "ouwe rrrrrrockers".
Déze kritiek is in feite ook wel een beetje dom en overdreven, maar in vergelijking met 't programma waar we 't straks over zullen hebben is "Tijd voor teenagers" "Flop"!
Eén voordeel is het dat er zo af en toe nog wel eens een mooie plaat bij doorrolt. Hiermee is dan ook alles over dit programma gezegd. Geen woord er meer over. Het volgende programma is veel beter.

TUSSEN 10 EN 20.

Een Belgisch programma op golflengte 324 meter (926 khz) (Tussen de beide Hilversums in). Er zijn twee discjockeys, een mannelijke en een vrouwelijke. Ze doen om de beurt, dus de ene week doet de mannelijke en de andere week de vrouwelijke. De manlijke, Gi Mortier, is werkelijk het beluisteren waard. Hij is m.i. de beste discjockey die in Nederland te beluisteren is. Zijn woorden zijn iedere keer steevast: "Hallo, hallo, een opperbeste middag". Laatst begon hij weer een keer met z'n bekende groet, en hij voegde er aan toe: "Om maar eens wat anders te zeggen!" Een keer kondigde hij Little Richard aan: "Hier komt het fluweelzachte en lieflijke stemmetje van Little Richard met ...".
Verder had hij eens een leuk verhaaltje over Fats Domino: "Eerst heette-ie "Antoon", toen werd z'n naam "Anton" en daarna "'n Ton". En toen dat ook niet meer hielp werd het maar Fats." Zoals je ziet is Gi Mortier enorm geestig in z'n programma's. De platen die hij draait zijn eveneens fantastisch. Wie die niet mooi vindt is geen teenager. Dus: Als je een goed teenagerprogramma wilt beluisteren moet je gaan luisteren naar Gi Mortier met "Tussen 10 en 20", 's zaterdags van kwart over één tot twee uur."

Tot zover twee stukjes uit mijn rubriek in de schoolkrant.
Guy Mortier (pas veel later kwam ik achter de juiste schrijfwijze van zijn voornaam) is toch wel van groot belang geweest voor mijn muzikale ontwikkeling.

De schoolkrant had niet zo'n erg lang leven, in de examenklas moest ik er mee stoppen van het schoolhoofd, omdat de resultaten van mijn tentamens niet bijster goed waren. Toch organiseerde ik in de korte tijd dat de schoolkrant bestond, anderhalf schooljaar lang, een aantal leuke dingen met en voor de schookrant. Zoals bijvoorbeeld "De enquête over Muziek". De hele enquête bestond uit slechts twee vragen en meneer Ilbrink, onze muziekleraar, was zo bereidwillig om als enquêteur voor mij op te treden. Voor elk van de vier leerjaren was er steeds één klas uitgekozen waarin de enquête gehouden werd. De twee vragen waren: "Welke muziek vind je het mooist?" en "Bespeel je een instrument, zo ja welk?"
Op de eerste vraag kwam een aantal gevarieerde antwoorden. Het was 1962, en de "Twist" was toen juist populair geworden. In klas 1 werd de Twist maar één keer genoemd, in klas 2 helemaal niet en in klas 3 maar liefst 17 keer. Verdere opvallende antwoorden waren: Ray Charles (2x), Country and Western (1x), Heisser Sand (1x), Robertino (2x), Blue Diamonds (2x), Elvis (2x), Cliff (2x), D.S.C. (1x), Freddie (2x), Harry Belafonte (2x), Hawaiian (1x), Buddy Holly (1x).

Op de Nederlandse radio was maar weinig goede (Rock & Roll-)muziek te horen. Des te opmerkelijker was het dat ik in mijn schoolagenda's, van het merk "Rijam", foto's en verhaaltjes tegenkwam van o.a. Johnnie Ray, Jerry Lee Lewis, Bobby Darin, Peter en zijn Rockets en The Blue Diamonds.

The Beatles

Langzamerhand was ik al behoorlijk in de ban geraakt van de rock and roll. De échte (Amerikaanse) Rock & Roll-muziek kreeg in Nederland nooit veel aandacht, maar toen in 1963 de Engelse groepen The Beatles en The Rolling Stones opkwamen, vlogen pers, radio en TV er op af als vliegen op zoete stroop. Vooral de Beatles werden beschouwd als de sensatie van de eeuw. En voor mij waren ze dat ook, maar dat bedoel ik cynisch. Ik schreef aan het begin al dat ik ze erg dankbaar ben. Ze openden mijn muzikale bewustzijn. Door de Beatles kon ik mij bewust gaan worden van het feit dat ik voor de rest van mijn leven van de echte, authentieke en pure Rock & Roll-muziek wilde blijven genieten. Zeker, de Beatles brachten aanvankelijk ook een soort rock and roll. Maar wat zij deden met nummers van Chuck Berry, Little Richard, Larry Williams en Carl Perkins vond ik zo onvoorstelbaar slecht, zwak, sfeer- en karakterloos, dat ik er van kon huilen. Ik besloot onmiddellijk om de oude rock and roll trouw te blijven en nimmer met een nieuwe muzikale trend of mode mee te gaan. Ook al zou ik de enige ter wereld zijn die nog die ouderwetse vijftiger jaren singles zou draaien, het zou me niet deren. Maar de Rock & Roll was gelukkig niet van de ene op de andere dag dood en begraven. We hadden ook nog de "Engelse golf" met artiesten als Cliff Richard en The Shadows, die hier wél steeds populair waren en ook bleven. En vooral The Shadows waren het voorbeeld van veel gitaar- en rockgroepen en groepjes in Oost-Nederland.

Zakradio

Het bezitten van een draagbare radio werd al snel een grote wens van mij. Daarmee zou ik dan overal en altijd naar mijn muziek kunnen luisteren, en ik zou dan niet meer afhankelijk van de huiskamerradio zijn. Natuurlijk waren mijn ouders niet te porren voor het idee om geld voor een "portable" beschikbaar te stellen.
In de zomervakantie zou ik, samen met een vriend en mijn zuster Rie, op kampeervakantie gaan naar Giethoorn. Mijn zuster in een pension en wij in de tent. Ik maakte mij zorgen over het feit dat ik in die tijd geen radio kon luisteren, maar ik vond er iets op. Er was in Rijssen een klein radiowinkeltje, waar ze een behoorlijke collectie zakradio's hadden. Sommige waren inderdaad zo klein dat ze in je broekzak pasten, en op één ervan had ik mijn oog laten vallen. Ik ging de winkel binnen en zei dat ik van plan was een draagbare radio te kopen. Ik liet me een aantal modellen tonen en liet uiteindelijk de keus vallen op het radiootje dat ik al in gedachten had. Ik vroeg toen of ik het toestel eerst nog even aan mijn ouders mocht laten zien. Na mijn naam en adres genoemd te hebben was dat geen bezwaar.
Mijn ouders waren op dat moment al op vakantie, en ik ging de volgende dag, mét de zakradio. Na de vakantie bracht ik uiteraard de radio terug, met excuses en met de mededeling dat de koop toch niet doorging.
Voor die uitgehaalde streek heeft God mij wel gestraft, want de hele vakantie door heeft het geregend, de tent kwam 's nachts blank te staan en tot overmaat van ramp woei die ook nog een keer weg… Maar ik had het genot en het gemak van een eigen zakradio geproefd, en ik wilde per se zelf zo'n ding. Er waren omstandigheden die mij weer in de kaart speelden om mijn zin te krijgen en om geld van mijn ouders los te peuteren voor het kopen van een radio. Het was in de tijd dat de koude oorlog driftig woedde. Er werd veel gesproken over een mogelijke atoomaanval van Russische zijde, er was veel angst voor en de BB (Bescherming Bevolking) verspreidde veel informatie over de gevolgen van een atoomaanval en hoe men zich moest gedragen in geval van een aanval. Geadviseerd werd om bij ernstige dreiging steeds naar de radio te luisteren, en het liefst naar een radio op batterijen omdat de elektriciteit zou kunnen uitvallen. Door sterk op die mededelingen in te spelen, lukte het mij om van mijn ouders een transistorradio te krijgen. De rode middengolf "Sanyo Six Transistor De Luxe" met goud en zilverkleurig front en een afstemschaal in de vorm van een klok, werd mijn grootste trots. Die trots duurde overigens niet zo erg lang, want ik liet de radio een keer uit mijn handen vallen toen ik boven aan de trap stond, en het apparaat duvelde tree voor tree naar beneden. Dat was een afgrijselijke ervaring. De radio deed het weliswaar nog, maar de kast lag helemaal uit elkaar, en dat gaf een pijnlijk gevoel, ook toen alle stukken weer aan elkaar gelijmd waren.

Over stukken gesproken, die waren er nog meer. In Almelo had ik ergens een achterafwinkeltje ontdekt waar men ook wat oude platen verkocht. Ik ging er een keer op de fiets naar toe, ongeveer een uurtje fietsen. In het winkeltje vond ik een nog nieuw exemplaar van Gene Vincent's "Be-bop-a-Lula / Woman love" (Capitol) op 78-toeren. Omdat ik nog geen 78-toeren platen had, was dat een prachtige aanwinst. Heel voorzichtig deed ik de plaat in de boodschappentas die ik bij me had en hing de tas aan het stuur van de fiets. Dwars door Almelo ging het, daarna over het fietspad naast de autoweg, en alles ging goed. Ik kon nauwelijks zo lang wachten totdat ik thuis was en van de muziek op de plaat kon gaan genieten. Triomfantelijk en blij reed ik onze straat in en kwam bij ons huis aan. Stralend nam ik de laatste bocht en wilde het paadje naar ons huis oprijden. Aan beide kanten van de ingang van het paadje was een stenen muurtje, en jawel hoor, in mijn haast om thuis te komen nam ik de bocht niet goed en knalde met de tas tegen het stenen muurtje aan. Mijn mooie 78-toeren plaat aan gruzelementen!
Mijn leven als verzamelaar ging niet over rozen… Verder