Van Mono naar Stereo (2)

Twee versies van een LP

Aanvankelijk worden er nog twee versies van een LP uitgebracht: een mono-versie en een stereo-versie.
Want een stereoplaat kan in die tijd niet worden afgespeeld op een mono platenspeler, en de meeste mensen hebben nog geen stereo-apparatuur.
Tegen het eind van de zestiger jaren wordt die dubbele release afgeschaft. Om twee redenen: steeds meer mensen krijgen een stereospeler en de platen zelf worden compatibel met alle apparatuur, zo lang de pick-upnaald maar geschikt is voor de moderne plaat. Dat betekent trouwens meteen het einde van het échte stereogeluid, waardoor veel mensen ook niet (meer) weten hoe dat klinkt.

Merkwaardig genoeg beginnen de technici in diezelfde tijd (rond 1968) aan de ontwikkeling van een nieuw effect. Stereo zorgde voor meer breedte in het geluid, en nu gaan ze aan de slag met meer diepte. Het heet “Quadrafonie”, en het is een complex systeem waarvan er maar liefst 3 verschillende en concurrerende systemen op de markt komen. Wil men genieten van het diepte-effect en quadrafonische platen kunnen afspelen, dan heeft men rond 1970 een nieuwe platenspeler, een nieuwe versterker en twee extra geluidsboxen nodig.
Omdat velen nog niet eens aan stereofonie gewend zijn, zien niet veel mensen iets in quadrafonie. Het wordt in 1973 al weer afgeschaft, en platen en apparatuur uit die periode zijn nu moeilijk te vinden.

Bij de volledige overschakeling op stereo, zit men met het probleem: wat te doen met de oude mono-opnamen bij een heruitgave? Een enkele maatschappij is zo lui (of handig) om alleen het woordje “Stereo” op de hoes en het label te drukken en vervolgens de plaat gewoon te laten zoals hij is. Niet veel kopers beklagen zich erover, simpelweg omdat het niet opvalt. De meeste andere platenmaatschappijen vinden echter dat men de muziek zodanig moet bewerken dat het lijkt alsof het stereo-muziek is.

Tegenwoordig zijn de mogelijkheden wel stukken groter dan toen, maar of een computer werkelijk in staat is om bij een monogeluid de afzonderlijke instrumenten van elkaar te scheiden, valt te betwijfelen. In de zestiger jaren moet men het zonder computers doen, maar de elektronische trukendoos kan dan ook al veel. Echt stereo wordt het nooit, maar er worden wel diverse technieken gebruikt om pseudo-stereo te fabriceren.

Rechanneled for stereo

De meest irritante, en voor sommige luisteraars zéér vervelende, techniek is die waarbij men de luidsprekers “uit fase” laat klinken. Dat geeft voor één luidspreker een soort vertragingseffect ten opzichte van de ander. Het lijkt dus alsof er uit beide luidsprekers iets anders komt, en dat is voor veel mensen genoeg om te denken dat het stereo is. De bijwerking van dit effect is dat het een vervelende druk op de oren geeft.

Een veel toegepaste methode is het opsplitsen van de muziek in twee of drie frequentiegebieden: hoog, laag en eventueel midden. Het hoge gebied komt dan van links, het middengebied uit het midden en het lage gebied van rechts. Andersom kan natuurlijk ook.

Een eveneens vaak toegepaste methode is die waarbij er aan de muziek extra veel galm wordt toegevoegd, die men uit één luidspreker laat komen. Dat is ook de reden dat veel mensen lang hebben gedacht dat vijftiger jaren muziek (van bijvoorbeeld Elvis) hoofdzakelijk uit galm bestaat!

Een minder vaak gebruikte methode is die waarbij men een extra “laag” muziek toevoegt. Er spelen dus muzikanten mee met de originele opname. En die toegevoegde instrumenten worden dus in stereo opgenomen waardoor het geheel stereo klinkt.

En zo zijn er nog wel meer technieken. Voor de echte muziekliefhebber doet het nep-stereo-effect bijna altijd ernstige afbreuk aan het origineel. In veel gevallen verknalt het de muziek totaal! Persoonlijk zal ik ook nooit een versterker willen hebben zonder monoschakelaar. Die schakelaar kan soms een “uit elkaar getrokken” plaat nog enigszins redden, door hem op de stand mono te zetten.

In het midden van de zeventiger jaren komt men dan ook tot de conclusie dat origineel mono bijna altijd stukken beter klinkt dan “elektronisch stereo” (ook wel “simulated stereo” genoemd). De oude platen en opnamen worden vanaf die tijd dan ook overwegend in originele (mono)staat heruitgebracht. Dat geldt vooral voor platen voor verzamelaars.

Diezelfde muziek wordt weer tien jaar later tot aan heden ook ongewijzigd (her)uitgebracht op CD en DVD. Het is mij niet bekend dat monoplaten uit de zestiger jaren momenteel per computer stereo gemaakt worden. Stereo speelt allang geen rol meer bij CD-muziek, en om van mono “surround sound” te maken, lijkt me helemaal een moeilijke opgave.