Hoe ontstaat een plaat?

Aanvankelijk maakt men van levende muziek rechtstreeks een grammofoonopname. Na de uitvinding van de bandrecorder wordt dat anders.

Na de komst van de bandrecorder (synoniemen: recorder, magnetofoon, taperecorder) moeten de artiesten, musici en andere muziek- en zangkunstenaars soms uren of dagen achtereen hetzelfde muziekstuk spelen voordat de opnametechnicus een bandopname heeft verkregen, waarin zowel muzikaal als opnametechnisch geen enkel foutje zit.
Is dit voor elkaar dan kan men beginnen met het overbrengen van de muziek op de band naar de lakplaat.

De lakplaat is een glazen of metalen plaat die bedekt is met een dun laagje lak. In dat laagje lak wordt met een snijapparaat een groef gesneden.
Deze groef loopt spiraalvormig en van buiten naar binnen. Ogenschijnlijk lijkt het dat het een gave lijn is, maar onder een loep zien we dat het een onregelmatig kronkelend lijntje is.

De lakplaat is heel teer, hij kan makkelijk beschadigd worden. Daarom speelt men hem niet af.
Langs scheikundige weg wordt de lakplaat bedekt met een heel dun laagje zilver. Om dat dunne laagje zilver te verstevigen, wordt het verkoperd. Daarna wordt de lakplaat van het laagje zilver met koper afgehaald. De koperen schijf met het zilveren aangezicht heet Vader.
Nu even goed opletten, want er volgt een heel familierelaas.

De vader kan niet worden afgespeeld, want hij is een afdruk van de lakplaat en dus in spiegelschrift oftewel een negatief.
Het zou mogelijk zijn om van de vader afdrukken te maken in schellak of plastic (vinyl), waardoor men dus grammofoonplaten zou krijgen die wel kunnen worden afgespeeld.
Dit doet men echter niet, want door dit afdrukken, het persen, slijt de vader namelijk enorm. En daardoor zou men maar een beperkt aantal kopieŽn kunnen maken.

Daarom laat men in een galvanisch bad een laag koper op de vader neerslaan die men er later weer afhaalt. Zodoende krijgt men dus een positieve plaat, die gelijk is aan de uiteindelijke grammofoonplaat.
Deze plaat noemt men Moeder. De moeder wordt bedekt met een zeer harde legering van koper, nikkel en chroom. Men noemt hem Zoon, nadat hij gescheiden is van zijn Moeder.

Van de Zoon, die negatief is, worden de platen gemaakt. Hij is dus de persmatrijs. Als men een afdruk maakt van een negatieve plaat krijgt men dus een positief resultaat.
Omdat we allemaal weten dat de groeven IN de plaat zitten, zijn die groeven uitsteeksels bij de matrijs.

Het persen van de plaat zelf

In een platenpers wordt tussen twee etiketten (de labels) en twee zoons (de matrijzen voor beide kanten van de plaat) een bal voorverwarmd platenmateriaal gelegd. Voor de breekbare 78-toerenplaten is dat een mengsel van schellak, gemalen leisteen, roet en nog andere stoffen. Voor de onbreekbare langspeelplaten gebruikt men vinylite, een plasticsoort die verwant is aan nylon.
Bij een temperatuur van 100-150 graden Celsius en een druk van 100 Atmosfeer (op een gewone 45-toerenplaat ca. 70.000 kilo) worden de zoons, de etiketten en het platenmateriaal op elkaar geperst. Dit is de geboorte van de grammofoonplaat.
Na afkoeling van de plaat moet er al het overtollige materiaal nog worden afgebroken en de rand worden gepolijst.
En dan is de plaat af.

D.W. voor Mulok (schoolkrant) nr. 5, 1962